Operatie Overlord deel 2

Nederlandse betrokkenheid

 

De Nederlandse betrokkenheid bij de invasie was bescheiden en bestond aanvankelijk alleen uit een klein aantal schepen en vliegtuigen. De kanonneerboten Flores en Soemba, die zich eerder de bijnaam Terrible Twins hadden verworven, gaven, dicht onder de Franse kust, vuursteun. De kruiser Sumatra werd voor de kust van Normandië tot zinken gebracht om te dienen als kunstmatige golfbreker om het aanleggen van een tijdelijke haven te vergemakkelijken. In de lucht was het Nederlandse 320e squadron van de MarineLuchtvaartdienst, dat B-25 Mitchell-bommenwerpers vloog, onder de eerste eenheden die aan D-Day deelnamen. Het squadron leed(verhoudingsgewijs) forse verliezen bij de invasie: 25 man en acht B-25’s. Verder waren dertien Nederlandse motortorpedoboten betrokken om landingsschepen te beschermen en nam een twintigtal schepen van de Nederlandse koopvaardij deel. In augustus kreeg de operatie een Nederlandse impuls. Op 26 augustus bevrijdde de Prinses Irene Brigade, Pont-Audemer. De Fransen schrijven deze bevrijding van het plaatsje toe aan de Nederlanders, ook al beweerden de Belgen enkele jaren geleden dat de prestatie op het conto kwam van het twee depeloton van het Belgische Eskadron pantserwagens. Volgens Generaal Rudi Hemmes, destijds zelf ter plekke, ging het echter om Belgische voertuigen met daarin Nederlandse soldaten. De brigadebestond uit 1200 man.

 

Belgische betrokkenheid

 

Op 22 augustus 1944 bevrijdden 2500 soldaten van de Belgische 1e Infanteriebrigade (ook Brigade Piron genoemd) de badplaats Deauville. Ook namen het 349ste en het 350ste Belgische luchtmacht eskader deel aan D-Day. Ze gaven luchtdekking aan troepen op de grond.

 

Duitse acties op D-Day

 

Wehrmacht

 

Veldmaarschalk Rommel, opperbevelhebber van Heeresgruppe B (7e en 15e leger), die de Noord-Fransekust moest verdedigen, was op het moment van de invasie in Herrlingen om de 50ste verjaardag van zijn vrouw, Lucie, te vieren. In de loop van de ochtend, rond 10:15, werd hij geïnformeerd door Chefstaflegergroep B, Hans Speidel. Rommel wilde de Führer ervan overtuigen dat de verplaatsing van de pantserdivisies,die als OKW-reserve in het achterland van Frankrijk waren gestationeerd, naar de Franse kust noodzakelijk was. Hitler weigerde en gaf Rommel de helft van depantserdivisies die beschikbaar waren in het gebied. De andere helft werd in reserve gehouden en stond onder het directe commando van Von Rundstedt. Vanaf 1:15 uur kwamen van het 7e leger meldingen binnengestroomd over Geallieerde luchtlandingen in hetzuidoostelijk deel van het schiereiland Cotentin en bij Caen. Rommel, Luitenant-generaal Speidel en Veldmaarschalk Von Rundstedt dachten aanvankelijk dat het om een afleidingsmanoeuvre ging. Ze rekenden erop dat de Geallieerde invasie plaats zou vinden in het gebied tussen de Seine en de Schelde. Daarom luidde Speidels eerste bevel dat twee van de op de Cotentin gelegerde divisies (91e en 709e infanteriedivisie) met hun mobiele reserves moesten optreden tegen de luchtlandingstroepen. De 21e Pantserdivisie, die ten zuiden van Caen lag, moest haar Bereitsstellungsraum betrekken om ook hier de uit de lucht gelande tegenstander te kunnen vernietigen. Toen de meldingen van luchtlandingen maar bleven binnenstromen en er zelfs aanwijzingen en meldingen kwamen dat er van zee uit Geallieerde versterkingen waren te verwachten, achtte men het raadzaam om de twee in de buurt van Chartres en Evreux gelegerde pantserdivisies van de OKW-reserves naar het gebied waar de landing werd verwacht te sturen. Speidel liet dit direct aan Von Rundstedt en zijn staf weten. Hij stelde voor om de 12eSS-Panzerdivisie “Hitlerjugend” het bevel te geven om op te rukken naar het zuiden van Caen. Tegelijkertijd wilde hij de Panzer-Lehr-Divisie voorbereidingen laten treffen voor de verplaatsing. De OKW wees zijn voorstellen direct af, omdat de pantserdivisies alleen met uitdrukkelijke toestemming van Hitler mochten worden verplaatst. Speidelhad het bevel tot oprukken echter al gegeven. Daardoor was de 12e Panzerdivisie al opgerukt tot Lisieux, maar daarmoest ze stoppen, aangezien er geen orders kwamen van Hitler. De Panzer-Lehr-Divison bleef op haar plaats staan. Twee sterke pantserdivisies werden zodoende buiten de strijd gelaten, terwijl het zwaar bewolkt was en de divisieszonder gehinderd te worden door de geallieerde luchtmacht hadden kunnen

   m_bundes1 m_avranches2

oprukken. Speidel bracht Rommel na zes uur telefonisch op de hoogte van de situatie en de getroffen maatregelen. Rommel brak zijn reis naar Hitler af en wees op het feit dat de 21. Panzerdivison een tegenaanval moest lanceren. Hitler gaf na 15:00 uur het bevel om de reserve pantserdivisies in te zetten. De lucht was echter al grotendeels opgeklaard en de pantsertroepen waren zeer kwetsbaar voor luchtaanvallen. De verplaatsing van de divisies moest worden verschoven naar de avond, waardoor ze niet meer konden worden ingezet op de eerste en beslissende dag. De 21. Panzerdivision was de enige pantserdivisie die deel nam aan de strijd op 6 juni, omdat deze onder direct commando van Rommel stond. De divisie kreeg als eerste de taak om de parachutisten nabij de Orne uit te schakelen. Op bevel van Generaal Marcks werd de divisie echter terug genomen en ten koste van veel verliezen(luchtaanvallen) via de enige nog bruikbare weg over de westelijke oever van de Orne geloodst. Dit om door middel van een tegenaanval de bedreiging af te wenden van het belangrijke verkeersknooppunt bij Caen. De pantserdivisie werd pas daadwerkelijk omstreeks 15:00 uur ingezet en kreeg de opdracht om door te stoten naar de kust. De troepen wisten zich een weg te banen tot aan de kust en maakten contact met in hun steunpunten geïsoleerde troepen van de 716e infanteriedivisie. Echter toen de Britten later op de dag aan beide oevers van de Orne en achter de Duitse pantsereenheden nog meer parachutisten dropten, werd de aanval afgebroken om de verbinding met de achterhoede te behouden en indien nodig te herstellen. Vernietigde Duitse voertuigen kort na D-Day de aan de kust gelegerde Duitse divisies, die tot taak hadden de tegenstander op te houden tot de komst van de eigen pantsertroepen, hadden met hun beperkte mobiele reserves nauwelijks de mogelijkheid offensief op te treden tegen de gelande strijdkrachten. Bovendien bleef de situatie in hun gebied zeer verwarrend. Van de gebeurtenissen aan de oostkust van de Contentin, waarde Amerikanen na een doeltreffend bombardement vande 709e divisie waren doorgebroken, kreeg het 84e legerkorps pas laat bericht, omdat de verbindingen door de vijand waren ontwricht. In de vroege morgen werd er besloten om tot een aanval op Sainte Mère-Eglise over te gaan. Snelle eenheden ter sterkte van een regiment van de 709e infanteriedivisie en de 91e infanteriedivisie en het als korpsreserve ingezette 6e parachutistenregiment moesten oprukken vanuit het noorden (Montebourg), het westen en het zuiden (Carentan). De aanval werd echter ernstig vertraagd, omdat de bevelen zo moeizaam doorkwamen. Bovendien hadden de Amerikanen optimaal gebruik gemaakt van het heggenlandschap (Bocage). Voor de aanvallende partij is hier nauwelijks door te komen, aangezien de verliezen hoog zullen zijn. De volgende dag werd de aanval voortgezet. De troepen waren versterkt met een regimentvan de 243e infanteriedivisie. Ze stuitten echter al direct op Amerikaanse troepen en de opmars werd wederom ernstig vertraagd. De Duitsers wisten de Amerikanen bij het landingsfront Vierville – Saint Laurent (Omaha Beach) lang tegen te houden. De Amerikanen stuitten onverwachts op de Duitse 352e infanteriedivisie, die aan de aandacht van de inlichtingendienst was ontsnapt. Omdat hier de meeste kustverdedigingswerken, ondanks verschillende bombardementen vanuit lucht en zee, nog intact waren, kwamen de Amerikaanse aanvalstroepen al vast op he tstrand te liggen, waardoor ze aanzienlijke verliezen leden. De mobiele reserve van het 84e legerkorps was het 915e regiment, die in de sector van de 352e infanteriedivisie lag. Omdat de 352e infanteriedivisie eenvoudig overeind bleef, werd het regiment overgebracht naar de sector van de716e infanteriedivisie, aangezien de Duitsers het daar stukken zwaarder hadden. De Britten waren al in de eerste uren diep gepenetreerd in de Duitse linies. Het regiment moest een tegenaanval inzetten ten oosten van Bayeux, waarde Britten een vrije doortocht naar het stadje hadden. Maar omdat het 915e regiment al om vier uur de andere kant, richting Carentan, was opgestuurd om de daar gemelde luchtlandingen te bestrijden en enkele uren onbereikbaar was geweest, kon het pas in de namiddag tot de tegenaanval nabij Bayeux overgaan. Toen het de aanval inzette, stuitte het op een steeds verder groeiende geallieerde overmacht. Na hevige gevechten werd het regiment in zijn totaliteit vernietigd door de geallieerde troepen. Al op de weg naar Bayeux moest het regiment in de sector van de 352e infanteriedivisie een bataljon achterlaten. In deze sector waren de Amerikanen na een vernietigend bombardement vanuit zee door de Duitse linies gebroken en landinwaarts getrokken. Door het zware bombardement had de 352 infanteriedivisie dusdanige verliezen geleden, dat er dringend versterkingen nodig waren. De 30e Mobiele Brigade, gelegerd als korpsreserve bij Coutances, werd als directe versterking naar hetgebied gestuurd. Het kon daar echter niet zijn voor de morgen van 7 juni. Generaloberst Dollmann, opperbevelhebber van het 7e leger, nam nog op 6 juni maatregelen om het zwaartepunt van zijn krachten te verleggen naar Normandië. Zo werden in Bretagne de mobiele gevechtsgroepen van de 265e en 275e divisie gereedgehouden voor verplaatsing. Het aantrekken van nog een gevechtsgroep van de 266e divisie, zoals Dollmann had voorgesteld, alsmede de gehele 77e infanteriedivisie uit Bretagne, achtte Rommel te voorbarig. Hij wilde nog voldoende troepen in Bretagne houden omdat hij ook rekening hield met luchtlandingen aldaar.

 

Bron: wikipedia.org/OperatieOverlord

 

 

Luftwaffe

 

Tijdens D-Day waren er slechts 2 Duitse jachtbommenwerpers die het strand konden bestoken. Daarnaast waren er enkele verkenningsvluchten boven Het Kanaal om de grootte van de Geallieerde vlucht vast te stellen en voor andere bombardeer- en verkenningsmissies. Enkele andere missies werden geannuleerd, door omstandigheden tegen gehouden of neergeschoten voordat ze van enig nut konden zijn. In Noord-Frankrijk en België waren ongeveer 200 vliegtuigen, waarvan 140 paraat. Deze vluchten werden echter tegengehouden omdat het Duitse hoofdkwartier eerst duidelijkheid wilde over de invasie en vooral rekende op de Duitse versterkingen die onderweg waren. Ze wilden de vliegtuigen alleen in het uiterste noodgeval gebruiken.In totaal had de Luftwaffe, op 6 juni, 319 toestellen in de lucht, tegenover 10.500 Geallieerde vluchten. De Luftwaffe kon de eigen troepen nauwelijks hulp bieden, omdat ze nog voor ze hun doelen hadden bereikt, al in luchtgevechten gewikkeld waren met een superieure tegenstander. Tijdens de gehele Slag om Normandië bleven de geallieerden superieur in de lucht en konden de Duitsers alleen nog’s nachts de geallieerde stellingen bombarderen. Het Britse Sword Beach was een belangrijk doelwit voor de Duitsebommenwerpers, die al in de eerst nacht, van 6 op 7 juni, het strand onder vuur namen.

Kriegsmarine

 

Ook de Kriegsmarine kwam nauwelijks tot noemenswaardige daden op de eerste dag. In de vroege ochtenduren alarmeerde de marine de U-Bootgruppe West, die in verschillende Atlantische havens gestationeerd was, riep ze het torpedobootjagersflottielje van Royan naar Brest en gaf ze het bevel tot uitvaren aan de motortorpedoboten (MTB) die aan de Normandische kust lagen. Terwijl de MTB’s uit Cherbourg wegens de zware zee onverrichter zake moesten terugkeren, stootten die uit Le Havre op een overmacht geallieerde zeestrijdkrachten. Ze brachten één Britse torpedobootjager tot zinken en keerden naar Le Havre terug, toen ze hun torpedo’s hadden afgevuurd. Al voor de invasie, in mei 1944, had de Kriegsmarine een groep met U-Boten geformeerd, waarvan zes met een snuiver. Deze waren gestationeerd in de Golf van Biskaje en moesten een mogelijke amfibische landing tegenhouden. Deze groep duikboten kon echter niets uitbrengen tegen de overmacht van de Geallieerde vloot en zes dagen na de invasie waren twaalf duikboten reeds vernietigd (allen zonder snuiver). De overige vierentwintig zonder snuiver gingen terug naar naar de haven, zonder een enkel schip tot zinken te hebben gebracht. De zes onderzeeërs met snuiver wisten de vloot niet eens te bereiken.

 

Opbouw van het geallieerde bruggenhoofd

Samenvoegen

 

 

Op de eerste dag van de landing waren enkele essentiële doelen door de geallieerden niet gehaald. Zo was de stad Caen nog niet ingenomen en waren de landingsgebieden niet samengevoegd tot één doorlopend bruggenhoofd. Daartegenover stond wel dat alle landingen succesvol waren verlopen en de verliezen lager waren dan verwacht. Montgomery, als bevelhebber van de grondtroepen, moest ervoor zorgen dat de landingsgebieden zo snel mogelijk werden samengevoegd, omdat de verwachtingen waren dat de Duitsers een poging zouden doen om de Geallieerden terug de zee in te drijven. Voor beide partijen was het van belang dat ze over een overmacht konden beschikken. Rommel, verantwoordelijk voor de kustverdediging, wist dit en had daarom al eerder aangedrongen op het feit dat hij enkele pantserdivisies dichterbij de kust wilde hebben. Hij kreeg echter maar de helft van de troepen waar hij omvroeg. Ook de Geallieerden waren zich ervan bewust dat men zo snel mogelijk een grote troepenmacht aan landmoest zetten. Bovendien hadden ze al maanden van tevoren maatregelen genomen om de snelle opbouw van een Duitse troepenmacht te verijdelen. De geallieerden hadden in de eerste plaats de suggestie gewekt dat na de landing in Normandië al vrij snel een tweede en grotere landing zou plaatsvinden ten noorden van de Seine. Dit had als gevolg dat de Duitsers lange tijd bleven denken dat de hoofdlanding nog moest komen. Ze durfden dus niet alle troepen naar het Normandische slagveld te verplaatsen. In de tweede plaats hadden de Geallieerden Normandië zoveel mogelijk willen isoleren door stelselmatig alle verbindingswegen onbruikbaar te maken. Zowel voorals na de landing werden bruggen, stations, verkeersknooppunten en tunnels gebombardeerd. Het luchtvoordeel zorgde ervoor dat Duits vervoer overdag vrijwel onmogelijk was. ’s Nachts kon het, door de zware beschadigingen aan de weg, vaak alleen via omwegen op de plaats van bestemming komen. Dit waren de belangrijkste oorzaken voor het feit dat het de Duitsers niet lukte om een grote troepenmacht op te bouwen in Normandië. Op 7 juni bezocht Generaal Eisenhower de stranden, nadat hij eerst op zee had gesproken met Montgomeryen Bradley, bevelhebber van het Amerikaanse 1eLeger. Vooral de sector Omaha, dat ’s morgens nog altijd onder Duits vuur lag, baarde de generaals veel zorgen. De bevelhebbers waren het er over eens dat del andingsgebieden zo snel mogelijk tot één doorlopend bruggenhoofd moesten worden verenigd. Tegen de avond van 7 juni hadden de Britten een doorlopend bruggenhoofd van ongeveer 35 kilometerbreed en was de stad Bayeux veroverd. Op datzelfde moment lagen de Amerikaanse sectoren nog ver van elkaar verwijderd en was er ook geen aansluiting met een Britse sector. In de morgen van 8 juni was er een verbinding tussen de Amerikaanse sector “Omaha” en de Britten in de sector “Gold”. Nadat deze verbinding tot stand wasgekomen, ging Bradley aan de slag om contact te maken tussen de sectoren Omaha en Utah. Op 10 juni werd het eerste contact tussen deze twee sectoren gelegd. Echter, dit was via een landweg en om een goede verbinding te hebben, moest eerst het verkeersknooppunt Carentan worden ingenomen. Deze volledige aansluiting vond plaats op 12 juni toen de slag om Carentan in Amerikaans voordeel was beslist. Op de zevende dag na de landing werd dusv olledige aansluiting tussen alle sectoren bereikt en was er een bruggenhoofd gevormd van 125 km breed.

 

m_785px-omaha_beachhead_6_june_1944

 

Bron: wikipedia.org/OperatieOverlord

 

 

 

 

 

                     m_785px-utah_beachhead  

 

Amerikaanse doorbraak

 

Waar de Amerikanen na de volledige aansluiting gestaag terrein winst boekten, gebeurde in de Britse sector  betrekkelijk weinig. De Duitsers hadden zich geconcentreerd rondom Caen, het wegen- en spoorwegen centrum van Normandië. Met de inname van Caen lag de weg naar de Seine open. De Duitsers wisten dit en waren dan ook niet bereid de stad zomaar op te geven. De Duitsers namen aan dat de Geallieerden van plan waren na de inname van Caen uit te breken naar Rouen en Parijs. Dit lag voor de hand en de Duitsers kwamen dan ook vrij snel tot de conclusie dat Caen van vitaal belang was voor de geallieerde operatie. Het grootste deel van de Duitse troepenmacht werd daarom rond Caen gestationeerd. Montgomery had de logische Duitse reactie al maandenlang zien aankomen. Hij had hier zijn strategie op bepaald en aangepast. Het befaamde “scharnierplan” werd begin april uitgewerkt. De geallieerden zouden dreigen met een doorbraak in de sector bij Caen. Ze dwongen daarmee de Duitsers reserves naar die sector te sturen. De Britten en Canadezen zouden dan enkele schijnaanvallen uitvoeren, waarna de Amerikanen in hun eigen sector, die inmiddels was verzwakt door de afwezigheid van de Duitse reserves, een doorbraak forceerden. De Duitsers dachten een doorbraak bij Caen te hebben verijdeld, maar speelden de geallieerden juist in de kaart. Op 15 juni stonden er tegenover de Amerikanen nog maar zeventig tanks, terwijl het aantal tegenover de Britten inmiddels was opgelopen tot 520 tanks. De zwakke sector tegenover de Amerikanen kwam de Duitsers duur te staan. De Amerikanen trokken gestaag op en dwongen de Duitsers ver terug te trekken. Doordat de Britten en Canadezen bleven dreigen een doorbraak bij Caen te forceren, durfden de Duitsers nauwelijks reserves richting de Amerikaanse sector te sturen. Deze tactiek betekende echter wel dat de Britten en Canadezen geringe terrein winst boekten. In de tweede week na de landing zette Montgomery zijn verbindingsactie voort. De Duitse tanks die hem terug de zee in hadden moeten drijven, moesten nu ingezet worden ter verdediging van Caen. De Amerikanen, onderleiding van Generaal Omar Bradley, kwamen in het westen goed vooruit in het lastige heggenlandschap (Bocage). Het terrein in de Cotentin is verdeeld in veel kleine akkers die van elkaar gescheiden zijn door hoge, begroeide aardwallen, hetgeen in het voordeel is van de verdedigende partij. Tanks waren zeer kwetsbaar in dit landschap. Dit zorgde ervoor dat de verliezen aan Amerikaanse zijde relatief hoog waren. Toch konden de Amerikanen gestaag terreinwinst boeken. Op17 juni hadden de Amerikanen Barneville, aan de andere kant van de Cotentin, bereikt. Hierdoor was het noordelijke deel van de Cotentin, met Cherbourg als belangrijke stad, geïsoleerd

 

Geallieerde aanvoerproblemen

 

Storm

 

Nadat het noordelijk deel van de Cotentin  door de Amerikanen was afgesneden, stelden de geallieerden twee nieuwe doelen. Het was nu van groot belang dat Cherbourg en Caen werden ingenomen. Caen van wege het feit dat het een belangrijk centrum van(spoor)wegen is en Cherbourg vanwege het feit dat er een zeehaven ligt, die van grootbelang was voor de aanvoer van materieel en troepen. Het behalen van deze doelen werd echter vertraagd, want op 19 juni vonder een zeer zware storm plaats. Dezestorm was zo hevig, dat daarbij deMulberryhaven van Arromanches (MulberryB) zwaar beschadigd werd en de Mullberry haven voor de kust van Saint-Laurent (Mulberry A) volledig vernield werd. De totale verliezen waren 800 schepen, 20.000 voertuigen en 140.000 ton aan goederen. Deze verliezen plus het feit dat de nodige versterkingen voor de aanvallen op de steden Caen en Cherbourg niet aangevoerd konden worden, zorgden voor een flinke vertraging. Vier dagen lang was er geen verbinding tussen Engeland en het vasteland. Deze dagen zouden ideaal zijn geweest voor een Duitse tegenaanval. Echter, de Duitsers waren al flink verzwakt en wisten niet hoe ernstig de situatie was voor de Geallieerden. Waar voor de storm de aanvoer gemiddeld op 11.430 manschappen, 7670 ton goederen en 1970 voertuigen per dag lag, liepen de aantallen in de dagen na de storm met ruim 90% terug. Besloten werd om de Mulberry A. vanwegede zware schade af te breken. Mulberry B. werd met onderdelen van Mullberry A. versterkt en hersteld.Door de storm was de munitiepositie van de Geallieerden ernstig bedreigd. De Amerikanen waren enkele uren voorhet opsteken van de storm begonnen aan de grootschalige aanval op Cherbourg. Door de lucht wisten de Amerikanen drie dagen lang 500 ton munitie aan te voeren. In Normandië namen antitank- en luchtafweerbataljons tijdelijk de taak van de veldartillerie over, zodat het tekort aan artilleriegranaten minder voelbaar was.

 

Herstel

 

De vierdaagse sto rm heeft ruim 800 schepen van de transportvloot zwaar getroffen. Binnen één week na de storm waren alweer 600 klaar om te varen en een week later was dit aantal opgelopen tot 700 schepen. Op 23 juni werd voor het eerst weer door schepen gelost. Om de achterstand weg te werken en door het verlies van Mullberry A,werd er gebruik gemaakt van de kleine havens in Grandcamp-Maisy en Isigny-sur-Mer. Die twee havens, gelegen tussen Utah en Omaha, konden samen 3.500 ton per dag verwerken. De Amerikanen stuurden bovendien extra liberty-schepen en LST’s naar het gebied om de achterstand weg te werken. Waar op 18 juli een inkrimping van de vloot stond gepland, werd deze ook voor onbepaalde tijd uitgesteld. In de laatste week van juni verwerkte Omaha en Utah respectievelijk 13.500 ton en 7.000 ton per dag. Dat was gemiddeld 20% meer dan gepland. De Duitsers capituleerden diezelfde week nog in Cherbourg, waardoor de geallieerden ook nog eens een belangrijke zeehaven tot hun beschikking kregen. Hitler had echter het bevel gegeven om de haven vol te leggen met mijnen,waardoor de geallieerden deze eerst moesten opruimen, alvorens ze de haven konden gebruiken. Bovendien was de haven van Cherbourg zwaar beschadigd achtergelaten door de Duitsers. Om de haven weer bevaarbaar te maken moesten ook diverse schepen worden opgeruimd. Dit werd met behulp van duikers en sleepboten bewerkstelligd. Tevens moesten beschadigde of vernietigde gebouwen worden gerepareerd. Vijftien dagen na de verovering van Cherbourg was de haven zover opgeknapt, dat de eerste schepen weer toegang hadden tot de haven. Echter, pas na drie maanden was de gehele haven weer toegankelijk voor schepen. Het was van essentieel belang dat de haven in gebruik kon worden genomen voor het aanvoeren van troepen en voorraden.

 

Brandstof

 

Ook de brandstoftoevoer was van essentieel belang voor het slagen van de operatie. Alle gelande voertuigen waren volgetankt en beschikten daarnaast over drie tot vijf jerrycans, met een inhoud van 14 liter. De bevoorrading geschiedde aanvankelijk alleen via vaten, die vanuit Engeland over zee werden getransporteerd. Door de storm was het enkele dagen onmogelijk om brandstof aan te leveren. Eind juni werd er ook gestart met Tombola. Via pijpleidingen werden tankers op zee leeggepompt en de brandstof aan land opgeslagen in de daarvoor bestemde opslagtanks. Op 25 juni was de pijpleiding naar Port-en-Bessin gereed en op 2 juli was er eenzelfde pijpleiding aangelegd naar Sainte-Honorine. Op 14 juli werden er extra pijpleidingen aangelegd op beide plaatsen. Toen bleek dat men nog niet over Cherbourg kon beschikken, werd de opslagcapaciteit van 9.700 ton opgevoerd tot 25.500 ton. Eind augustus was 175 miljoen liter brandstof via Tombola en 181 miljoen liter in vaten aangevoerd naar Normandië. Dit bleek aanvankelijk ruim voldoende. Echter, toen de uitbraak uit Normandië kwam en de geallieerden door konden stoten naar het hart van Frankrijk, veranderde de situatie aanzienlijk. De aanvoerlijnen werden steeds langer en omdat de Duitsers zich sneller terugtrokken dan in Normandië het geval was, ontstond er het gevaar van een brandstoftekort. Inmiddels was ook de brandstofaanvoer via Cherbourg op gang gekomen. Via PLUTO (Pipe Line Under TheOcean), honderd kilometer lange pijpleidingen over de bodem van Het Kanaal, werd de brandstofaanvoer flink opgeschroefd.De PLUTO-pijpleidingen werden gedurende de hele oorlog gebruikt.

 

Bron: Wikipedia.org/OperatieOverloard

 

Operaties in Normandië

 

 

m_785px-normandy_13_-_30_june_44

Strijd in Normandie 30juni 1944

m_785px-expanding_the_beachhead

Strijd in Normandie tot 24 juli 1944

 

 

 

Eerste Duitse tegenaanvallen

De Duitse tegen aanvallen op 6 juni waren vrijwel allemaal slecht georganiseerd en hadden daarom weinig effect. Op 8  juni lanceerden de Duitsers het eerste georganiseerde offensief om het geallieerde invasiefront in tweeën te splitsen. Tijdens die aanval, uitgevoerd door de 21e Pantserdivisie en delen van de 12e SS-Pantserdivisie en de Panzer-Lehr-Divisie, boekten de Duitsers maar moeizaam terreinwinst. Ze bleven steken in vijandelijk vuur en werden zelfs teruggedrongen. Het was aanvankelijk de bedoeling dat de Panzer-Lehr-Divisie Bayeux zou heroveren, maar bij Tilly-sur-Mer kwam deze divisie al tot staan en moest de aanval voortijdig worden afgeblazen. Voor de nacht van 11 juni was er bij Caen een nieuwe aanval gepland. Het 1e SS-Pantserkorps, bestaande uit de12e SS-Pantserdivisie en de Panzer-Lehr-Divisie, zou de hoofdmacht vormen van deze aanval. Echter, toen de Britten ten zuiden van Bayeux doorbraken in de richting van Villers-Bocage, moesten de Duitsers dit plan laten varen en trokken ze zich diep terug om een sterk verdedigingsfront op te bouwen. Het plan van een geconcentreerde tegenaanval werd voor onbepaalde tijd aan de kant geschoven.

 

Duitsers moeten in de verdediging

 

Erwin Rommel, die het bevel voerde over de troepen in Normandië, zag als belangrijkste gevaar een doorbraak van  de Britten nabij Caen, waardoor de weg naar Parijs voor de geallieerden open lag. Om zijn front op deze plaats te versterken, vroeg Rommel extra divisies aan die waren gestationeerd bij de Kanaalkust. Echter, zowel Hitler als het OKW, waren van mening dat er nog een landing zou plaatsvinden op de Kanaalkust. Rommel kreeg geen extra divisies vanuit deze sector. Hij kreeg wel divisies beschikbaar die waren gestationeerd in Bretagne en het zuiden van Frankrijk. De opmars van deze troepen verliep echter zo traag, dat in de nacht van 9 juni de Britten bij Port-en-Bessin contact maakten met Amerikaanse troepen.

 

Carentan

 

Geallieerde acties

 

De Amerikaanse sector Omaha had inmiddels bij Port-en-Bessin contact gemaakt met de Britten uit de Gold-sector.  De twee Amerikaanse sectoren waren echter nog altijd van elkaar gescheiden en voor een verbinding was de inname van Carentan essentieel. Al direct na de landing werden er voorbereidingen getroffen om Carentan, belangrijk vanwege het verkeersknooppunt, in te nemen. Vier dagen na de landing, op 10 juni, openden de Amerikanen het vuur op de Duitsers. Aanvankelijk verliep de aanval moeizaam, maar later op de dag wisten de Amerikanen na meerdere aanvallen de Duitsers in het nauw te drijven. Echter pas op 12 juni wisten Amerikaanse troepen, na hevig artillerievuur en een aanval op de linkerflank, een klein bruggenhoofd te vormen. Vanaf die plek werden nieuwe aanvallen gelanceerd. Met verscheidene aanvallen op de Duitse versterkingen wisten de Amerikanen uiteindelijk de meeste Duitsers uit de stad te verdrijven. Enkele Duitse eenheden wisten ’s nachts naar het zuiden te ontsnappen en konden zich later weer aansluiten bij de Duitse troepen aan het front. Het zou nog tot 15 juni duren voordat de gehele stad was gezuiverd van Duitse troepen. De verliezen voor de Duitsers waren hoog en ook de Amerikanen leden gevoelige verliezen.

 

m_carentan5 m_carentan2

 

Duitse acties

 

Nadat de Amerikanen en Britten contact hadden gemaakt bij Port-en-Bessin, trokken de Duitsers zich ver terug in  steden als Caen en Carentan. De verdediging van het laatstgenoemde stadje was van essentieel belang om deverbinding van de Amerikaanse sectoren Omaha en Utah te voorkomen. De Duitsers versterkten daarom hun positie in deze stad. Bij verlies van Carentan konden de Amerikanen in zuidwestelijke richting doorstoten naar Lessay, waardoor het schiereiland Cotentin afgesneden zou worden. Op 10 juni openden de Amerikanen het vuur op de Duitsers. Door middel van verscheidene aanvallen werden de Duitsers teruggedreven en vormden Amerikaanse troepen een klein bruggenhoofd als operatiebasis. De Duitsers, kampend met munitiegebrek, trokken zich vervolgens terug naar het zuidwesten van de stad. Toen de 17e pantsergrenadiersdivisie op 13 juni vanuit Zuid-Frankrijk ter versterking arriveerde, was Carentan al in Amerikaanse handen gevallen. De divisie kreeg opdracht direct over tegaan tot een aanval om Carentan te heroveren. De aanval had echter geen effect waardoor deze laatste poging van de Duitsers om de Amerikaanse sectoren van elkaar gescheiden te houden mislukte.

 

Cotentin en Cherbourg

 

Geallieerde acties

 

Achter de westelijke invasie stranden moesten de  Amerikaanse troepen het schiereiland Cotentin bezetten. Cherbourg was een belangrijke plaats in dit gebied, omdat het de geallieerden een zeehaven kon verschaffen. Het gebied achter Utah Beach en Omaha Beach werd gekenmerkt door een besloten heggenlandschap. De Amerikanen vorderden hierdoor langzaam en verloren veel manschappen. Om die redenen werd de hulp ingeroepen van luchtlandingstroepen. Op 18 juni werd het meest westelijke gedeelte van het schiereiland bereikt. Hitlerverbood de Duitse troepen om terug te trekken naar de verdedigingswerken van de Atlantikwall in Cherbourg. Op 20 juni bereikten de Amerikaanse troepen echter Cherbourg en op 22 juni werd de aanval ingezet. Op26 juni capituleerde de commandant van Cherbourg, Karl-Wilhelm von Schlieben en op 29 juni werden de laatste stellingen ingenomen. De haven was echter dusdanig beschadigd dat ze pas in augustus 1944 weer bruikbaar was. Bij Cherbourg werden enkele V-1 en V-2 stellingen veroverd door de geallieerden.

 

Duitse acties

 

De Duitse troepen op Cotentin beschikte nauwelijks over pantserondersteuning, aangezien men deze meer nodig achtte voor de verdediging van Caen. Bovendien kregen de Duitsers in dit gebied met zware verliezen te kampen en kwam versterking in de vorm van infanterie maar traag op gang. Daarbij werkte het onder water gezette gebied nu in het nadeel van de Duitsers aangezien het water de zuidelijke flank van de Amerikanen dekte, die hierdoor was afgeschermd voor een Duitse aanval vanuit het zuiden. Voor de strijd in Cherbourg losbarstte verwierp de Duitse bevelhebber van de stad, Von Schlieben, een voorstel om zich eervol over te geven. Dit ondanks de tekorten aan onder andere voedsel en munitie. De Duitsers begonnen al in een vroeg stadium met het vernielen van de haven om deze onbruikbaar te maken voor de geallieerden. Op 23 juni startten de Duitsers een tegenoffensief. Dat had echter nauwelijks effect omdat de Amerikanen desondanks kans zagen verder op te blijven rukken. Drie dagen lang duurde de strijd in en om Cherbourg. Op 26 juni gaf de Duitse bevelhebber zich over, maar sommige Duitse eenheden bleven nog enkele dagen weerstand bieden. Op 29 juni was Cherbourg volledig opgegeven en in Amerikaanse handen. Twee dagen later, op 1 juli, waren de laatste Duitse eenheden van het schiereiland Cotentin verdreven.

 

Bron: Wikipedia.org/OperatieOverloard

 

 

Saint-Lô

 

Geallieerde acties

 

In de nacht na de landingen, van 6 op 7 juni, werd Saint-Lô door de geallieerden zeer zwaar gebombardeerd.  Ongeveer 2000 bommenwerpers vielen de stad aan en verwoestte deze voor ongeveer 95%. Saint-Lô was voor de Amerikanen van strategisch belang vanwege het knooppunt van verkeerswegen. De stad moest, koste wat kost, worden ingenomen. Nadat de Amerikanen het bruggenhoofd in de sector Omaha hadden gestabiliseerd, poogden ze door middel van kleine aanvallen Saint-Lô in te nemen. Toen dit niet lukte, werd de aandacht voorlopig naar het Cotentin schiereiland met Cherbourg verlegd. Aan het eind van juni ondernamen de Amerikanen opnieuw aanvallen op Saint-Lô. De Duitsers hadden inmiddels een flinke verdedigingsgordel opgebouwd, die sterker bleek dan de Amerikanen hadden verwacht. De Duitsers hadden zich verschanst tussen de ruïnes van de stad. De Amerikanen poogden hen door middel van kleine aanvallen uit de stad te verdrijven, maar ze boden fel weerstand. Dit bewoog de Amerikaanse legerleiding ertoe om op 3 juli een grootschalig offensief te openen. Deze aanval mondde uit in gevechten tussen de ruïnes van Saint-Lô. De Amerikanen wisten de Duitsers op 18 juli definitief uit de stad te verdrijven, maar dit ging ten koste van zware verliezen. Maar liefst 11.000 man werden gedood of gewond. Ondanks deze verliezen lanceerden de Amerikanen enkele dagen later Operatie Cobra.

 

Duitse acties

 

Tijdens de eerste dagen van de landing hadden de Duitsers twee operatie bevelen buitgemaakt waaruit de  belangrijkste doelen van de Amerikanen konden worden opgemaakt. De Amerikanen hadden, zo werd duidelijk, naast Carentan twee andere belangrijke doelen, namelijk Cherbourg en Saint-Lô. Ter bescherming van de sleutelpositie Saint-Lô bouwde de op 10 juni aangekomen 3e Parachustistendivisie, een keurkorps, samen met de restanten van de 352e Infanteriedivisie een verdedigingsgordel ten zuiden en ten westen van de stad. Ter versterking werden mobiele gevechtseenheden van de de 353e Infanteriedivisie vanuit Brest naar Saint-Lô gestuurd. Daarnaast werden de 265e Infanteriedivisie uit Lorient en de 274e Infanteriedivisie uit Redonnaar de verdedigingsgordel gedirigeerd. De Duitsers wisten enkele Amerikaanse aanvallen af te slaan en hielden het gebied rondom Saint-Lô in handen. Vanaf 18 juni richtten de Amerikanen hun zich vooral op het voor hen zo belangrijke Cherbourg. De Duitsers kregen eind juni opnieuw te maken met Amerikaanse aanvallen. De verdedigers hadden zich in de stadverschanst. De aanvallen hielden enkele dagen aan en op 3 juli werden de Duitsers echt in de verdediginggedrukt. De Amerikanen lanceerden een grote aanval, die uitmondde in straatgevechten. De Duitse verdedigingwas stukken sterker dan de Amerikanen hadden verwacht en de Duitsers brachten de Amerikaanse eenheden dan ook gevoelige verliezen toe. Op 18 juli brak het verzet van de Duitsers. Het belangrijke knooppunt Saint-Lô moestworden opgegeven en de Duitse troepen werden teruggetrokken naar een volgende verdedigingsgordel.

 

m_bricquebec m_sherbrooke fusiliers in falaise

 

Caen

 

Geallieerde acties

 

Veldmaarschalk Montgomery zag Caen als punt van cruciaal belang in Normandië en wilde koste wat kost de stad innemen. De voorbereidingen kregen de codenaam Operatie Perch. Het doelwas om van Bayeux door te stoten tot Villers-Bocage en vandaaruit naar de Orne en Caen te trekken. De Britse troepenmoesten echter halt houden in Villers-Bocage. Tussen 19 en 23 juni woedde er een storm,  waarna de Duitsers in de tegenaanval gingen. Toen deze was afgeslagen werd tussen 26 juni en 30 juni Operatie Epsom gelanceerd. Het Britse tweede leger voerde een aanval uit richting de Odon, een zijrivier van de Orne. In het begin vorderden het snel, maar later ondervond men hevige weerstand. Ondanks deze tegenstand wisten de Britten heuvel 112 in tenemen. De Duitsers probeerden een tegenaanval met de 9e- en de10e SS Pantserdivisie. Deze kon worden afgeslagen maar de Britten leden hevige verliezen. Generaal Miles Dempsey gaf het bevel om terug te trekken. Nadat de Britten zich hadden gereorganiseerd werd een volgende operatie gelanceerd genaamd Operatie Charnwood. Deze duurde van 7 juli tot 9 juli. Caen werd gebombardeerd en de geallieerde troepen wisten onder dekking van het bombardement de noordoever van de Orne te bezetten. Direct daarop volgde de laatste operatie, Operatie Goodwood. De drie Britsepantserdivisies in het gebied voerden vanaf 18 juli een aanval uit op Caen en wisten de overblijfselen van de stad op20 juli te veroveren.

 

Duitse acties

 

De Duitsers wisten dat Caen een essentiële rol speelde in de plannen van de geallieerden. De plaats werd daarom zwaar verdedigd, een grote Duitse troepenmacht had zich in en rond de stad verzameld. Al snel na de eerste landingen volgden diverse aanvallen van Britse troepen. De Duitsers sloegen deze aanvallen betrekkelijk eenvoudig af. Toen een zware storm tussen 19 en 23 juni over Normandië raasde, poogden de Duitsers het front in tweeën te splijten. Een grote aanval werd echter door de Britten al in een vroeg stadium afgeslagen. De Duitsers trokken zich na hun mislukte aanval direct weer terug op de stad. Tussen 7 en 9 juli werd Caen zwaar gebombardeerd door de geallieerden. De Duitsers leden hierdoor gevoelige verliezen en de geallieerden trokken op naar de noordkant van de Orne. De Duitsers trokken zich diep in de stad terug. Toen de Britten op 18 juli de grootscheepse aanval op Caen begonnen werd er, hevige weerstand geboden. Beide partijen leden zware verliezen maar de Duitsers moesten zich uiteindelijk op 20 juli terugtrekken uit de stad. Enkele eenheden bleven nog weerstand bieden totdat zij na enige dagen werden overmeesterd.

 

Doorbraak van het bruggenhoofd

 

 

m_786px-breakout

De uitbraak geografisch weergegeven

 

Een belangrijk element van Montgomery’sstrategie was om de Duitsers te laten geloven dater in het oostelijk deel van Normandië een doorbraak poging zou plaatsvinden. De Duitsers zouden daardoor hun reserves in het oosten laten ,waardoor een doorbraak in het westen eenvoudiger werd. Aan het einde van Operatie Goodwood, zoals de acties in het oostelijk deel genoemd werden, hadden de Duitsers hun meeste reserves in het oosten staan; er werden zes en eenhalve pantserdivisie ingezet om de Britse en Canadese troepen tot staan te brengen, terwijl de Amerikaanse sector in het westen slechts werd verdedigd door anderhalve pantserdivisie. Op 24 juli werd door het Amerikaanse leger Operation Cobra gelanceerd. Op 1 augustus werd het achtste korps onderdeel van het nieuwe Amerikaanse Derde Leger, dat onder leiding van George S. Patton stond. Op 4 augustus veranderde Montgomery het oorspronkelijke invasieplan door in plaats van meerdere, slechts één korps achter te laten in Bretagne. Dit korps moest Bretagne veroveren en de Duitse troepen in de Bretonse havensteden omsingelen. De rest van het Amerikaanse derde leger trok direct zuidwaarts. Omdat de Duitsers de grootste troepenmacht ten zuiden van Caen hadden staan, besloot Montgomery tot Operatie Bluecoat (30juli – 7 augustus), een strategische manoeuvre waarbij pantsertroepen westelijk langs het front verplaatst werden, om zo de druk op de Amerikaanse troepen te verhogen en in het oosten de Britten meer ruimte te geven. De Duitsers reageerden door strijdmachten naar het westen te sturen. Op 7 augustus lanceerden de Britten Operation Totalize.

 

Bron: Wikipedia.org/OperatieOverlord

 

 

De zak van Falaise

 

Omdat de Duitse troepen niet mochten terugtrekken naar tactische stellingen hadden de Amerikaanse eenheden, onder leiding van George Patton, op hun zuidflank bijna geen tegenstand ondervonden. De Britten hadden tijdens de Amerikaanse uitbraak hun Operation Totalize gelanceerd en die bracht de Britse pantserdivisie ver genoeg naarvoren om de achterliggende Duitse troepen te bedreigen. Door de combinatie van deze aanvallen, liepen de Duitse 28e infanteriedivisie en de 11e pantserdivisie het risico in een tangbeweging te worden genomen. De Duitsers lanceerden als reactie daarom in de nacht van 6 op 7 augustus een aanval, met de bedoeling deAmerikaanse doorbraak zo snel mogelijk af te snijden. De Duitsers wilden met het 7e leger de Geallieerde linie inzuidwestelijke richting doorbreken en zo de toegang tot het schiereiland Cotentin afsnijden. Hierdoor zouden de doorgebroken Amerikaanse eenheden van hun bevoorrading worden afgesneden. De Duitse aanval, die de naam Operatie Lüttich droeg, verliep aanvankelijk voorspoedig en de Duitsers boekten terreinwinst. In de middag van 7 augustus werden de Duitsers echter door de Geallieerde luchtmacht onder vuurgenomen en stokte de opmars. De daarop volgende dagen lanceerden de Duitsers nog wel enige aanvallen, maar deze hadden nauwelijks effect meer. Op 8 augustus bereikte Pattons 5e pantserdivisie Le Mans, om daar bij de Franse 2e pantserdivisie onder Leclerc aan te sluiten. Bradley en Montgomery kwamen op dezelfde dag overeen te proberen het Duitse leger ten westen van de Seine in te sluiten. Pattons pantserdivisies zouden daar op Montgomery’s troepen aansluiten. Pattons 15e korps veranderde daarop 90 graden van koers om richting Argentan op te trekken, terwijl zijn overige divisies naar de Seine doorstoten. Hierdoor kon Bradley zowel een korte als een lange tangbeweging opzetten. De lange tangbeweging was bedoeld om de Duitse troepen die uit de eerste omsingeling ontsnapten alsnog in te kunnen sluiten. Dwight D. Eisenhower zei op 23 augustus het volgende:

Het slagveld van Falaise kan zonder tegenspraak beschouwd worden als een van de grootste slachtplaatsen in deze oorlog. Wegen, hoofdwegen en velden lagen zo opgestapeld met vernielde uitrustingsstukken en met lijken van mensen en dieren, dat het uiterst moeilijk was zich in dat gebied te bewegen. Achtenveertig uur nadat de val zich had gesloten, leidde men mij te voet erdoorheen en ik zag daarbij tonelen, de pen van een Dante waardig. Men kon letterlijk honderden meters achter elkaar lopen en daarbij op niets anders stappen dan op dood en zich in staat van ontbinding bevindend vlees.

Bradley gaf Pattons 15e korps opdracht ten noorden van Argentan halt te houden. Hierdoor bleef een strook van 25 kilometer breed open waardoor Duitse troepen konden proberen te ontkomen. Vooral delen van de 12e SSPantserdivisie “Hitlerjugend” en het 1e Canadese leger leverden daar gedurende verschillende dagen hevige gevechten, maar de Canadezen wisten de omsingeling niet de sluiten. De Poolse 1e Pantserdivisie wist dit wel tebewerkstelligen. Echter, onder de geconcentreerde aanvallen van de 2e SS-pantserdivisie en andere SS-divisies konden ook de geharde en ervaren Polen, die zelf omsingeld waren geraakt bij Mont Ormel, niet verhinderen dat een aantal SS-eenheden uitbraken. Deze eenheden leden grote verliezen, maar wisten er wel voor te zorgen dat de strook waaruit de Duitsers konden ontsnappen acht kilometer breed bleef. Ondanks dat dit gebied zwaar werd beschoten door de Geallieerden wisten, in navolging van de 2e SS-pantserdivisie, tussen 18 en 21 augustus nog enkele Duitse eenheden te ontkomen. Op 21 augustus eindigde de strijd en bleek het Duitse 7e leger praktisch vernietigd te zijn.

 

Bevrijding van Parijs

 

Met de geallieerden in aantocht gingen diverse instanties in de stad in staking en kwam het verzet inactie. Op 18 augustus was de staking algemeen en werden barricaden opgericht. Het stadhuis van Parijs werd door het verzet ingenomen en van daaruit opereerde en coördineerde het de opstand. Vanaf 19 augustus vonden steeds meer confrontaties plaats tussen het Parijse verzet en de Duitse troepen in de stad. De gevechten bereikten op 22 augustus een hoogtepunt. De geallieerden waren door deze opstand gedwongen hun plannen te herzien. Het geallieerde strijdplan voorzag in een omtrekkende beweging rond Parijs om stadsgevechten, die gewoonlijk veel mensenlevens eisen, te vermijden. Omdat de Duitsers dreigden de opstand keihard neer te slaan moest dit plan herzien worden. De Franse 2e Pantserdivisie, onder leiding van Leclerc, kreeg de opdracht om de stad binnen te trekken. Er volgden zware gevechten in de stad. Ondanks de opdracht van Hitler aan generaal Dietrich von Choltitz om Parijs ten koste van alles te houden en de stad te vernietigen, gaf deze de stad op 25 augustus over. Dezelfde dag trok Charles de Gaulle, leider van de vrije Franse strijdkrachten, de stad binnen en nam zijn intrek in het ministerie van Oorlog in de Rue Saint-Dominique. Ondanks de overgave was het gevaar nog niet geweken. Duitse sluipschutters (die niet op de hoogte waren van de overgave van de Duitsers)bleven nog enkele dagen actief in de stad. Pas 29 augustus was de stad vrijwel geheelgezuiverd van Duitse strijdkrachten. De verliezen onder het verzet en de burgerbevolking worden geschat op 1500 personen. De Duitsers verloren 10.000 manschappen, voornamelijk in krijgsgevangenschap. Men beschouwt de bevrijding van Parijs in het algemeen als het einde van Operatie Overlord.

 

Gevolgen, Verliezen

 

 Geallieerden

 

De geallieerden verloren veel manschappen in de strijd in Normandië. Al voor de invasie werden er verliezengeleden tijdens operaties die de weg naar Operatie Overlord leidden. In april en mei 1944 sneuvelden ca.12.000 manschappen van de geallieerde luchtmachten, samen met 2000 vliegtuigen. In totaal zijn de geallieerde verliezen geschat op 10.000 tijdens de invasie, waarvan ca. 6600 Amerikaans, ca. 2700 Britsen ruim 900 Canadees. Bij de Amerikanen waren 1465 doden, 3184 gewonden, 1928 vermist en 26 gevangenen. Van de Amerikaanse verliezen waren 2499 (238 doden) van de Amerikaanse paratroepen. Op Utah Beach waren de minste verliezen te betreuren, ‘slechts’ 197, waarvan 60 vermisten, terwijl op Omaha Beach de Amerikaanse 1e en 29e divisies samen ruim 2000 verliezen hadden. In totaal hadden de Amerikanen 125.847 doden en gewonden te betreuren. Op de twee Britse stranden (Gold Beach en SwordBeach) vielen 1000 doden. De overige verliezen waren van de Britse paratroepen, 600 werden gedood of gewond, en 600 anderen werden vermist. Daarnaast werden er ook ruim 100 piloten opgegeven als vermist. Op het Canadese strand (Juno Beach) werden er 340 doden, 574 gewonden en 47 gevangen opgegeven, allen van de Canadese 3e divisie.Tijdens de Slag om Normandië zonken 24 slagschepen en 35 vrachtschepen. Verder werden 120 schepen beschadigt. Naast schepen gingen er ongeveer 3000 pantservoertuigen en 2000 vliegtuigen verloren. Daarnaast waren er nog militaire slachtoffers van diverse landen, zoals Polen, Frankrijk en Nederland.  In totaal waren er 209.000 geallieerde slachtoffers, waarvan 37.000 doden van de grondtroepen en 16.714 doden vande luchttroepen. 83.045 slachtoffers waren van de 21e Legergroep (Britse, Canadese en Poolse troepen) en 125.847 van de Amerikaanse troepen. Ook onder de Franse burgers vielen veel slachtoffers. De schattingen lopen uiteen van 15.000 tot 20.000 doden. Daarnaast waren de grote steden vaak zeer zwaar getroffen door bombardementen en gevechten. Maar liefst 120.000 gebouwen werden verwoest en 270.000 zwaar beschadigd. Daarnaast vluchtten veel mensen uit hun huizen uitangst voor de gevechten.

Duitsers

 

De Duitse verliezen op D-Day zijn niet bekend, maar worden geschat tussen de 4000 en 9000 man. De Duitsers verloren in totaal 393.689 manschappen. Hiervan werden 200.000 manschappen gevangen genomendoor de geallieerden. De Duitsers verloren vooral veel manschappen op het einde, tijdens de inname van de zak van Falaise, ruim 90.000, inclusief gevangenen. Naast de enorme hoeveelheid aan manschappen, verloor het Duitse leger ook veel aan materialen. Ongeveer 1.500 tanks, 2.000 kanonnen en 20.000 voertuigen werden vernietigd of achtergelaten tijdens de strijd in Normandië.

 

Oorlog

 

De inname van Le Havre

 

 

Het gevecht om Le Havre werd voorafgegaan door een week van luchtaanvallen en bombardementen. Door deze bombardementen werd het grootste gedeelte van stad verwoest en kwamen ruim 1500 Franse inwoners om. Op militair gebied maakten deze bombardementen nauwelijks verschil. Na deze bombardementen werd Le Havre omsingeld en geïsoleerd van de buitenwereld. Het belang van Le Havre was de haven, die voor snellere aanvoerlijnen kon zorgen. Het Britse Eerste Legerkorps begon met de aanval op 10 september 1944, met als ondersteunend materieel Churchill tanks (infanterie, Crocodile Flamethrowers en AVRE’s) en Sherman Crabs. DeDuitsers konden niet beschikken over ondersteuning of troepenversterking want door de bombardementen waren hun communicatielijnen afgesneden. Binnen 48 uur, op 12 september 1944 werd Le Havre veroverd door de geallieerdenen kon de haven worden hersteld.

 

 

Verdere verloop

 

 

Nog tijdens Operatie Overlord, op 15 augustus, landden de Geallieerden ook in Zuid-Frankrijk. Tijdens Operatie Dragoon werd er een tweede front in Frankrijk geopend, waardoor de Duitsers de troepen nog meer moesten verspreiden. Dit kwam de snelle opmars van de Geallieerden ten goede. Na de inname van Parijs en Le Havre lag de weg naar Duitsland open. Veel steden, waaronder de grote en belangrijke havenstad Antwerpen, werden zonder noemenswaardige tegenstand bevrijd. In september volgde de gewaagde Operatie Market Garden. Deze gedurfde aanval van de geallieerden liep uit op een mislukking. Toen de Duitsers het Ardennenoffensief in de winter lanceerden en dit op een debacle uitliep voor het Duitse leger, was de oorlog beslist. Toch duurde het nog tot mei 1945 voordat Duitsland, Noord-Nederland en andere bezette gebieden inhanden van de Geallieerden vielen.

           American Cemetery op Omaha Beach in Colleville-sur-Mer

 

 

m_800px-omaha-beach-cemetery

Graven van 9.387 Amerikaanse Militairen. De meesten zijn gevallen tijdens D-Day, Op de Muur van vermisten  staan de namen gegraveerd van 1.557 Amerikaanse Militairen. Een rozet markeert de namen van slachtoffers die na veelvuldig zoekwerk uiteindelijk gevonden en geindentificeert zijn.

 

Bron: Wikipedia.org/OperatieOverlord

 

Zoals u D-Day nog niet eerder heeft gezien !

http://www.history.co.uk/videos.html?bcpid=23955448001&bclid=0&bctid=62960783001

 

 

 

1 2

 

3 4

 

5 6

 

7 8

 

9 10

 

11 12

 

13 14

 

15 16

 

17 18

 

19 20

 

21 22

 

23 24

 

25 26

 

27 28

 

Reacties zijn afgesloten.